Dames en heren,
Nu vandaag het grafmonument van Jan Lambrechtsen Coolen, na
bijna 2 jaar uit deze kerk weg te zijn geweest, kan worden onthuld, is daarmee
een eind gekomen aan de meest langdurige en meest gecompliceerde opdracht uit
mijn loopbaan als restaurateur. Dat wil zeggen : tot nu toe. Een opdracht die
met vele tegenslagen en moeilijk op te lossen problemen gepaard ging, maar die
nu toch tot een goed einde is gebracht.
In de uitnodiging, die u hebt ontvangen , wordt gesproken over het
gerestaureerde epitaaf. Maar dat is eigenlijk helemaal niet juist . Het epitaaf
wat er nu hangt is slechts voor maximaal 15 procent gerestaureerd en voor de
overige 85 procent totaal vernieuwd. Een grotendeels splinternieuw grafmonument
dus.
Het is dan ook uitzonderlijk dat het grafmonument nog bestaat. Het is ook te
danken aan het doorzettingsvermogen en geduld van de restauratiecommissie Sint
Jacobskerk dat Vlissingen nog steeds over dit voor Zeeland unieke epitaaf
beschikt . Met dat uniek bedoel ik : de stijl. De gedachte die het weergeeft
.Het ontwerp, wat typisch de renaissancestijl verbeeldt en derhalve doet denken
aan een Romeins bouwwerkje. Want dat alles is ondanks deze enorme ingreep , die
vanuit kunsthistorisch aspect eigenlijk helemaal niet kan, naar mijn mening toch
blijven bestaan.
Op de foto op uw uitnodiging ziet u het epitaaf voor de restauratie . een totaal
vervallen gedenkteken, waar overal stukken af waren., onderdelen ontbraken en
waarvan de oppervlakte als poeder uit elkaar viel door onder andere
zoutaantasting.. Het hing toen niet op deze plaats hier voor in de kerk maar in
een van de zijkapellen, boven de toiletten.
Reeds in 2001 ben ik wezen kijken naar het epitaaf , met de bedoeling een
offerte in te dienen.
Nu is het zo dat ons bedrijf oorspronkelijk begonnen is als
meubelrestauratiebedrijf. En nog steeds is het restaureren van antieke meubels
een van onze voornaamste werkzaamheden.
Maar mettertijd kreeg ik steeds meer opdrachten om houten beeldhouwwerken te
restaureren of zelfs helemaal opnieuw te maken als restauratie niet mogelijk
was.
Bovendien kregen wij in 2001 een enorm bedrijfspand in Koudekerke, en gaven drie
van mijn zonen te kennen ook wel in het bedrijf te willen gaan werken. Twee
daarvan hadden in de restauratie gewerkt, mijn oudste zoon zelfs bij de
restauratie van deze kerk. Zo werd ons bedrijf mettertijd steeds veelzijdiger
In een ver verleden heb ik eens een keer iets in steen uitgehakt, zomaar bij
wijze van experiment, en er was nog iets, in 1972 sprak ik eens een zeer ervaren
beeldhouwer, de man was al in de tachtig, die mij zei dat het beeldhouwen in
hout veel moeilijker was dan in steen.
Dat klonk natuurlijk interessant. Bovendien konden we 25 jaar later inmiddels
goed modelleren. Met die wetenschap in het achterhoofd durfden we de klus wel
aan te nemen. Achteraf was dat wel een gok . Maar de ervaring uit het verleden
leert dat je iedere keer een karwei moet hebben wat bijna of net iets te
moeilijk is . Anders sta je stil en kom je niet vooruit.
Zoals het epitaaf er toen ten tijde van die eerste inspectie uitzag was op het
oog nauwelijks vast te stellen om welke steensoort het ging. Op veel plaatsen
viel de steen als poeder uit elkaar en microscopisch onderzoek van dat poeder
gaf slechts een soort zandkorrels te zien. Er zijn verschillende oorzaken van
die verpoedering. Het kan in principe bij heel veel steensoorten optreden.
Bij de situatie hier in de st/Jacobskerk waren twee dingen bepalend.
Ten eerste de brand van 1911, waardoor de steen verhit is geraakt. Maar hoe
verhit? 200, 500 graden of nog warmer ?
Dat was en is onbekend. Ten tweede dat die brand zoals zo vaak hier in
Vlissingen, met zeewater is geblust. En dan verder de talloze overstromingen met
zeewater, de laatste keer in 1953. Hoeveel zout bevat dan die steen? In ieder
geval heel veel.
Zout komt op heel veel plaatsen in bouwwerken voor. Wat er namelijk gebeurt is
het volgende: Zout lost op in water. Als het water verdampt kristalliseert het
zout. Bij de vorming van die kristallen ontstaat druk, die de omliggende materie
uit elkaar drukt. Maar zout kan ook vocht uit de lucht opnemen, waardoor de
kristallen weer oplossen. Wordt het daarna weer droger dan vormen zich weer
kristallen, en zo gaat het proces eindeloos door totdat het zoutbevattende
object totaal is vergaan.
Dat probleem van aantasting door zout waren we al eerder tegengekomen. Ik ben
jarenlang actief geweest bij de werkgroep geologie van het Koninklijk Zeeuwsch
Genootschap der Wetenschappen. En daar was zoutaantasting van fossielen een
regelmatig besproken probleem. Dus in dat opzicht was de opdracht een uitdaging.
Samenvattend waren er dus bij de op handen zijnde restauratie twee zeer
ongunstige factoren:
1 de hitte . die vooral bovenaan de meeste schade had veroorzaakt : bij brand is
het bovenin een gebouw altijd het warmste, want warme lucht stijgt op, en
2 de zoutaantasting die vooral van onderaf, denk aan de vele overstromingen het
monument had aangetast, of beter gezegd vernietigd. Hoe erg dat was bleek toen
wij het uit de muur haalden. De ruimte achter de grote tekstplaat was zo van
zout verzadigd, dat we daar een soort kristalgroei van zout vonden. Het zag er
werkelijk geologisch uit.
Hoewel er reeds vrij snel een opdracht door de kerkenraad werd verleend, gooide
de Rijksdienst voor de monumentenzorg in 2002 roet in het eten.
Men was van mening dat er naar gestreefd moest worden het epitaaf in de toen
bestaande toestand te conserveren. Van het vervangen van de onderdelen moest zo
min mogelijk sprake zijn. Het monument moest gerestaureerd en geïmpregneerd
worden volgens een speciaal procédé, de zogenaamde Ibach-methode.
Aangezien de kerkenraad van subsidie afhankelijk was zat er niets anders deze
wens te respecteren en uit te voeren
Wat omhelst nu die Ibach/methode ?
Zoals reeds gezegd, het probleem van verpoedering van natuursteen treedt overal
op. Het meest nog in een omgeving met veel luchtverontreiniging of in kustnabije
locaties.
Lange tijd heeft men bij de restauratie en conservering van natuursteen gedacht
dat men oppervlakteschade kon bestrijden door die oppervlakte als hij begon te
verpoederen , te impregneren met een verdunde lijm of iets dergelijks. Maar
inmiddels weet men dat dat helemaal niet werkt. Aanvankelijk is daar wel succes
mee te boeken maar er komt bijna altijd een moment dat die versterkte
oppervlakte als een losse schil van het object afbarst, waardoor nog veel meer
schade ontstaat. Daarom werd in Duitsland een methode ontwikkeld om een beeld
door en door te impregneren, zodat er geen spanningsverschil ontstaat tussen
geïmpregneerd en niet geïmpregneerd.
Die methode is genaamd naar de uitvinder ervan, de firma Ibach in Scheszlitz.
Door natuursteen onder zeer hoge druk met kunsthars te impregneren, stopt het
proces van verpoedering en kan de steen vervolgens weer tientallen, zo niet
honderden jaren ( dat is althans de verwachting) mee .
Voor zandsteen en bepaalde kalksteensoorten is het een fantastische methode,
vooral als er buitenwerk geconserveerd moet worden. Maar er is ook een negatieve
bijwerking, zij het dat die niet aan de methode ligt maar zich afspeelt in de
hoofden van mensen.
Die Ibach methode is vooral populair geworden vanuit de gedachte van
conservering voor restauratie.
De gedachte dat het onmogelijk is een kunstwerk door een replica te vervangen.
En aangezien er vanuit de wereld der kunsthistorici en de museumwereld wordt
meegedacht en meegepraat in de wereld van de monumentenzorg, is er dan ook een
sterke stroming ontstaan die restauratie keer op keer tot een minimum wil
beperken. Juist om het authentieke karakter van een kunstwerk te bewaren. In de
praktijk wordt die gedachte dan weer gevoed vanuit budgettaire problemen,
conservering is meestal goedkoper dan restauratie. Er is altijd een
spanningsveld tussen die twee disciplines, de kunsthistorici die vooraf zoveel
mogelijk authentieks willen bewaren en de mensen in de praktijk, die het moeten
uitvoeren, en vaak dingen moeten uitvoeren die technisch nauwelijks kunnen.
Wat in ieder geval in de wereld der kunsthistorici vaak vergeten wordt is dat
een monument ook in deze tijd door mensen gebruikt en beleefd moet worden.
Zonder dat die mensen gevaar oplopen, omdat het zo gekoesterde kunstwerk op
instorten staat. Bij het epitaaf Lambrechtsen was dit in 2000 daadwerkelijk het
geval. Het was daar boven de toiletten een bijna letterlijk zwaard van Damocles.
Een andere gedachte die ons vanuit de museumwereld en de wereld der historici
wordt aangereikt is dat ontbrekende onderdelen nimmer opnieuw mogen worden
toegevoegd zolang daar geen duidelijke afbeeldingen van zijn . Zoiets zou dan
geschiedvervalsing zijn .
Dames en heren, u begrijpt het al, het is allemaal totaal anders gegaan en ik
ben heel erg het officiële boekje te buiten gegaan.
Overigens, dat is geheel door omstandigheden zo gelopen.
Wat gebeurde er ?
Ik vertelde u dat bij veel onderdelen niet op het oog was vast te stellen om
welke steensoort het ging.
In dit verband wil ik u een grappig citaat voorlezen uit het boek zeven eeuwen
st Jacobskerk waarin een beschrijving staat van het epitaaf CITAAT ( pag. 67) “
Het beeldhouwwerk was oorspronkelijk beschilderd waardoor de zuilen op marmer
leken “ Het was marmer, het is het nog ! Toen wij het epitaaf in april 2005 er
uit haalden bleek dat de gebeeldhouwde steen, een witte steensoort was met rode
en bruine aders. We dachten eerst Rosa aurora marmer uit Portugal, later bleek
het om het sterk daarop lijkende Engels albast te gaan En de zuiltjes en enkele
andere stukken bleken van een sterk geaderd en gevlekt marmer te zijn met veel
kleuren erin, wit, grijs bruin en rood. En de tekstplaten waren van een zwarte
soort hardsteen, het zogenaamde Noir de mazy. Dit betekende dat het epitaaf
indertijd een buitengewoon kostbaar en luxe monument moet zijn geweest en ook
buitengewoon kleurrijk was.
Aan de voorkant was daar uitgezonderd de tekstplaten bijna niets van te zien. Er
was of witte verpoederde steen te zien waar geen kleur aan viel te ontdekken of
over het verpoederde oppervlak heen een bruine afwerklaag die inderdaad aan verf
deed denken.
Wat is dat geweest ? Vrijwel zeker een combinatie van lijnolie en schellak,
mogelijk zelfs barnsteenlak , een ouderwets conserveermiddel wat vroeger ook in
musea veel werd gebruikt om fossielen te conserveren. Aangebracht na de brand
met de bedoeling het verval wat door de hitte was veroorzaakt tot staan te
brengen. Met als gevolg dat de kleur van het object geheel anders was geworden..
Die afwerklaag kon nauwelijks verwijderd worden. Dat betekende al een probleem.
Want als het dan volgens de Ibach/ methode geïmpregneerd moest worden, zou die
bruine laag mee geïmpregneerd worden en voor altijd op de steen zichtbaar zijn.
Om dan weer het oorspronkelijke beeld te krijgen zou het dan marmer geschilderd
moeten worden. Stelt u zich voor marmer geschilderd marmer.
Het liep allemaal anders. De steen moest namelijk ook ontzilt worden Dit is een
voorwaarde voor toepassing van de Ibach methode.. Wij hadden daar de beste
installatie voor die er in Nederland op gebied van steenontzilting bestaat,
namelijk de installatie waarmee men in Delft het marmeren grafmonument van
Willem van Oranje had ontzilt. Die installatie hebben we nog steeds. De stukken
liggen dan in bakken waardoor gedemineraliseerd water stroomt wat het aanwezige
zout doet oplossen. Het vervuilde zoute water wordt keer op keer gezuiverd, net
zo lang totdat de steen vrijwel geen zout meer bevat.
We zijn daaraan begonnen en vrij snel gestopt, want bij alle witte steen loste
de verbrande oppervlakte in korte tijd op, zodat we dus de ornamentiek of wat er
nog van restte grotendeels kwijt waren. Na dit gemeld te hebben bij de
opdrachtgever en de Rijksdienst kwam het bericht: stoppen.
Achteraf bezien was de uitkomst voorspelbaar als we de temperatuur geweten
hadden van het monument ten tijde van de brand. Verbrand je marmer dan ontstaat
ongebluste kalk in poedervorm, verbrand je albast dan ontstaat gips in
poedervorm. Beide grotendeels in water oplosbaar.
En dan is de ene steensoort gevoeliger voor hoge temperaturen dan de andere.
Bij de marmeren zuiltjes en de vulstukken , en ook bij de tekstplaten lukte het
ontzilten wel. Er bleef genoeg harde steen over om het te restaureren. Weliswaar
met overal breuken en gaten er in maar toch nog te restaureren.
In oktober 2005 was dus de geplande methode mislukt en konden we helemaal op
nieuw beginnen.
Er is toen met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg overlegd en de uitkomst was
: een nieuw epitaaf maken.
De schijnbaar simpelste methode was het bijmodelleren van de nog bestaande
stukken met gips en daarvan een mal maken en vervolgens een afgietsel maken van
een soort betonmortel met witte cement en marmerpoeders als toeslagstoffen.
Voor mij was het achteraf een gunstige ontwikkeling, mede omdat het
gereserveerde budget voor de dure Ibach methode gewoon bleef staan.
Daarmee ben ik in november 2005 begonnen. Het bijmodelleren van de bestaande
stukken was achteraf vreselijk omslachtig. maar had het voordeel dat het nieuw
epitaaf toch redelijk dicht bij het oude bleef staan.
Ik heb er bewust voor gekozen om de stukken met gips bij te modelleren en niet
met klei. Als je namelijk met klei modelleert en daarna een afgietsel maakt,
oogt het ALTIJD als boetseerwerk. En dat mag niet. Het moet er uit zien als
gehouwen en gepolijste steen.
Het ging meestal zo dat ik grofweg wat gips op de overgebleven stukken albast
opbracht. Als het dan was uitgehard na een half uur, gips droogt snel, was het
bewerkbaar met een houtbeitel. Was het dan nog wat te kort dan kon je het nog
een keer herhalen en zodoende wat bijprutsen. Zo kregen de nieuwe stukken
langzaam maar zeker vorm.
Op dezelfde manier maakten we ook de nieuwe onderdelen die verdwenen waren. Door
gewoon gips met water aan te mengen en het vervolgens in een grove vorm,
bijvoorbeeld een schoenendoos te gieten en uit te laten harden, ontstaat een
blok steen wat zolang het nog vocht bevat iets harder is als speksteen, en even
hard als natuurlijk albast , en zeer goed bewerkbaar is.
Als het model dan helemaal klaar was, geschuurd en gepolijst, maakten we daarvan
een mal van siliconenrubber.
Vervolgens goten we dan van een speciaal soort beton naar eigen recept het
nieuwe onderdeel. Maar de oude stukken hadden een roodwitte adering . Dat kon er
eventueel op geschilderd worden, maar dat is natuurlijk niet echt. Daarom
bedachten wij een methode om die rode aders er door en door in te gieten. Wat
dus betekent dat als de steen waarvan het nu is met een steenzaag zou worden
doorgezaagd, de aders die je aan de buitenkant ziet, gewoon doorlopen.
Nu is het niet zo dat dat simpel een kwestie is van een beetje witte mortel en
dan een beetje rode mortel en dan grofweg even doorroeren, want dan krijg je een
vlaflip-effect.
Ook is het niet zo dat je er wat los kleurpoeder is kunt strooien want dat
worden allemaal breuklijnen in de steen.
Hoe het dan wel gaat , dat hou ik nu eens even voor mijzelf maar vergelijk het
maar met driedimensionaal schilderen.
Als de stukken dan uit de mal kwamen moesten er nog hier en daar wat
luchtbelletjes weggewerkt worden, na ongeveer een week nagedroogd te hebben kon
het nieuw onderdeel in een speciale was gezet worden en was het nieuw onderdeel
van kunstmatig albast klaar.
Overigens, het is wel steen, dus geen kunsthars met vulstoffen, zoals je
tegenwoordig zo vaak hoort.
Zoals zo vaak bij een grote restauratie kwam ik een aantal dingen tegen waarvan
je dan denkt: hoe kan dit en wat is dit nu toch geweest
Er zijn van het epitaaf enkele oude afbeeldingen , waardoor we iets meer te
weten komen over de geschiedenis van dit monument.
De oudste afbeelding die we er van kennen komt uit de Zelandia Illustrata, de
prentencollectie van het Koninklijk Zeeuws Genootschap der Wetenschappen. Deze
tekening ( ik beschik slechts over enkele digitale afdrukken en ga er van uit
dat het een tekening is) is gemaakt door Pieter Snijders en gedateerd 1768.
Daarnaast is er in het kerkarchief een hele mooie foto uit ca. 1880, die u hier
ziet, als een afdruk op ware grootte. Deze afdruk hebben wij gebruikt om de
plaats in de kerkmuur te bepalen waar het nu zit.
Op de afbeelding uit de 18e eeuw zien we twee symbolische urnen die in 1880
verdwenen waren.
Toch bleek tijdens de restauratie dat die 18e eeuwse afbeelding evenmin een
compleet beeld gaf van het oorspronkelijke epitaaf. Er ontbreken namelijk
onderdelen ( toen al) waarvan op de foto wel sporen te zien zijn. Tijdens de
demontage kwamen wij twee kleine voetstukjes tegen , die lagen er los bovenop,
en het was onduidelijk waar die gezeten hadden. Bij de restanten die wij nog
hadden was het niet in te passen.
Toen wij in 2005 het oude epitaaf demonteerden, was het vooral aan de bovenkant
in de allerslechtste staat. En er ontbraken 5 onderdelen, die er in de jaren ’50
vermoedelijk nog waren.
Wat er nog wel was : de grote steen met de kleine tekstplaat , een stuk
geprofileerde strip ( in zeer slechte staat ) en een half boogvormig stuk steen
van zwaar aangetast roodachtig marmer met een opening waar de zandloper in
paste. En twee stukken van wat eenmaal die zandloper was.
Maar op de foto uit 1880 zien we op de boogstukken die twee kleine voetstukjes.
Je moet dan wel goed kijken. Bovendien zitten ze precies in het verlengde van de
uitspringing van die grote steen.
Wat is dat geweest ? en waarom zat dat daar? Ik ga het nu niet zeggen maar u
zult het straks zien.
Wat in ieder geval als laatste onderdeel is verdwenen dat is het wapenschild. Er
zijn in de beeldbank van het gemeentearchief twee foto,s een uit 1955 en de
andere uit begin jaren “70 waarop het nog aanwezig is. Waar het nu is weten we
niet. Maar het lijkt mij het meest waarschijnlijk dat het, omdat alle stukken
van boven heel slecht waren, het gewoon een keer naar beneden is gevallen en
daarna weg gegooid.
We kunnen achteraf wel iets zeggen over de oorzaak van de schade aan het epitaaf
die vanaf de 18e eeuw begon op te treden.
De grote steen waar de kleine tekstplaat in zit is namelijk veel te zwaar. De
strook daaronder met het engelenkopje en die lijststukken waren te smalle of te
korte onregelmatige stukken albast , grofweg tegen de muur geplakt. En niet er
in gewerkt . Daardoor is die grote steen gaan verzakken en zijn er al in de 18e
eeuw onderdelen naar beneden gevallen . Waarschijnlijk is toen in de 19e eeuw ,
bij een volgende verzakking, dat stuk rechts losgeraakt waardoor de rechter urn
is beschadigd. Vermoedelijk is dat de reden dat de urnen op de foto uit 1880
verdwenen zijn.
Wij hebben nu de constructie veranderd, alle stukken zijn naar de muur toe
langer geworden en veel beter verankerd. Bovendien zit er nu achter het
engelenkopje een betonnen latei die de druk van die bovenste steen opvangt.
Wat is nu oud en gerestaureerd en wat is nieuw ?
Wat oud is zijn alle stukken rood-bruin-grijs geaderd marmer, o.a. de zuiltjes
en de diverse vulstukken, in totaal 8 onderdelen
Ook oud zijn twee zwarte stenen strips achter de zuiltjes en de beide
tekstplaten, die zijn eveneens gerestaureerd, in totaal 4 onderdelen.
Het was ook hier weer een zeer vergaande restauratie. Want de grote tekstplaat
was bijvoorbeeld in twee stukken gebroken. Vreemd genoeg stond het ene stuk hol
en het andere iets bol. Die moeten dan aan elkaar gelijmd worden, maar buigen
kan niet. Bovendien waren er door de hitte allemaal kleine stukjes afgesprongen
aan de voorkant.. Die konden gestopt worden, maar daarna moest de steen vlak
gepolijst worden. Met als gevolg dat er bijna geen tekst meer over bleef, en de
letters opnieuw er in gekapt moesten worden. Dus ook hier noodzakelijkerwijs een
heel vergaande vernieuwing.
Maar er is aan die tekstplaten iets wat zowel oud als nieuw tegelijk is, ik
bedoel de letters.
Die zijn er opnieuw in geschilderd, en in dit verband wil ik een persoon met
name noemen omdat hij mij heel erg goed geholpen heeft. Het is de heer van
Elsacker, vrijwilliger hier bij de St Jacobskerk.
Er is hier een fantastische ploeg vrijwilligers die helpt dit kerkgebouw in
stand te houden en Ad van Elsacker is een van hun. Hij heeft dus alle letters
opnieuw geschilderd en nog meer verguldwerk aan het epitaaf gedaan, u zult het
straks zien.
Ik wil hem daar dus bij deze voor bedanken
.
En wat is allemaal nieuw ? Alle onderdelen met beeldhouwwerk en lijstprofielen
van witte en wit met rood geaderde steen en nog twee onderdelen bovenaan, die
sinds de 17e eeuw niemand meer heeft gezien, in totaal 33 onderdelen.
Dames en heren, als het epitaaf wel volgens de Ibach methode gerestaureerd had
kunnen worden , dan had er nu een zwaar opgelapt epitaaf gehangen, weliswaar min
of meer 17e eeuws, met tal van ingezette stukken , duidelijk anders van kleur,
en als dat niet beviel dan was het nu marmer geschilderd geweest.. De vraag is
dan of dan nog gesproken kon worden van een 17e eeuwse uitstraling. Ik durf zelf
te zeggen van niet.
Toen ik de opdracht kreeg was het streven om het epitaaf reeds in maart vorig
jaar terug in de kerk te hebben.
Vanwege de problemen met de niet toepasbare Ibach –Methode werd het toen : eind
2006, maar in ieder geval voor de aanvang van het De Ruyterjaar.
Ik vond dat zelf een heel belangrijke datum omdat Michiel de Ruyter dit epitaaf
hoogstwaarschijnlijk nog heeft gekend.
Het is eigenlijk het enige element in deze kerk uit de vroege 17e eeuw, dus de
tijd dat Michiel nog een jongen was, en juist in Vlissingen terugkeerde na een
lange voettocht door Frankrijk, hij was op zijn eerste reis gevangen genomen
door Spaanse kapers en had weten te ontsnappen. En later toen hij in 1631 in
deze kerk trouwde met Mayke Velders en het al hing in de zijkapel.
Hoe zag het er toen uit ? En wat heeft hij gezien? Laat ik dit zeggen: het
oorspronkelijke epitaaf is reeds in 1911 verloren gegaan .Toen is er zo’n schade
veroorzaakt dat het al ten dode was opgeschreven. Voor 1911 heeft het keer op
keer onderdelen moeten prijsgeven. Vanwege de foute constructie, die weer
samenhing met de beperkte afmetingen van de steen. Maar van het epitaaf wat er
nu hangt , durf ik toch te zeggen, dat het een goed beeld geeft van wat het
toen, aan het begin van de 17e eeuw is geweest, al zullen er mogelijk details
iets anders zijn geweest.
Dames en heren, ik ga uw geduld niet langer op de proef stellen. U moet zelf
maar zeggen wat u er van vindt. Ik wil de burgemeester vragen om het nu te
onthullen, en dan hoop ik, dat u zich allemaal heel eventjes in de tijd van
Michiel de Ruyter mag wanen…………
— o O o —
|